Gisteren was het alsof allerlei beelden van ruim 21 jaar geleden in mijn gedachten voorbij kwamen. Het was 21 maart 1990, ergens in de middag in een kamertje op de afdeling verloskunde van het Bonifatius hospitaal in Leeuwarden.
M’n vrouw zal nog onder narcose zijn geweest en ons derde kind had zich via de keizersnede aangediend, een zoon. “Hij is gezond. Maar er is wel iets.” Of woorden van die strekking hoorde ik iemand voor mij zeggen.
En daar zag ik hem, allemaal handen om hem heen, huilend, vol leven. Maar… zijn mond en zijn neus… hij had een lip-, kaak- en gehemeltespeelt. Aan beide kanten. Een dubbelzijdige schisis.
Voor mijn gevoel heb ik wel een uur lang, door heftige emoties overmand, met hem rondgelopen. En vastgehouden, vastgehouden. Waar ze vandaan kwamen? Ik weet het niet.
We waren net overeind gekrabbeld na een crisis in onze relatie. Het had ook een scheiding kunnen worden. Waren het schuldgevoelens? Werd mij iets duidelijk gemaakt? Hoewel geschonden, was het zó’n mooi kereltje.
Misschien wel dertig operaties verder werd hij gisteren opnieuw in het ziekenhuis opgenomen. Voor een neus- en bovenlipcorrectie. ’s Avonds ben ik nog even langs geweest. Hij was net een uurtje weer een beetje echt wakker. Toch weer een flinke operatie. Binnen in de neus was van alles kapot.
En daar zat-ie dan. Neus in het gips. Verband. Gedroogde vegen bloed. Een volwassen kerel. Overgeleverd, katheter, totaal afhankelijk. En naar mijn weten voor het eerst sinds de geboorte kwamen weer de emoties boven. Wat was dat toch? Word je hart weker als je ouder wordt? Of omdat-ie er nu – 21 – echt alleen voor staat. Nee, hij heeft een mooie vriendin.
Wel kwamen deze dagen twee gedachten bij me op. Ten eerste dat hij veerkracht heeft getoond (misschien is dat gewoon menselijk). En ongelooflijk mazzel heeft gehad dat al die operaties zo goed hebben uitgepakt. Heeft al die tijd stiekem Iemand mee staan opereren?
Aanvankelijk hadden we voor hem een andere naam in gedachten. Pas in de laatste weken voor zijn geboorte kwamen we op een deze naam, ‘de gezegende’. Hoe werden we daar eigenlijk allebei zo in bevestigd, vraag ik me nu af.
En de tweede gedachte was naar aanleiding van de Verrijk je Huwelijk Workshop die we het afgelopen weekeinde hielden. Wel vaker – ook in het Family Camp – stellen we vast dat onze inbreng in feite zo gering en eenvoudig is, maar dat ze bij de deelnemers vaak op allerlei manier herstel brengt. Af en toe herstel in de zin van een regelrechte doorbraak. We staan erbij en kijken ernaar. Het is Gods werk.
Maar zoals Hij geestelijk werkt, zo zou Hij ook wel eens in het fysieke kunnen werken. De specialisten breken en snijden en naaien, knippen en plakken. En dan? Dan houdt het op. Dan kun je niks meer. Dan moet het echt mooi recht of rond of om een bochtje en vast en dicht groeien. Gewoon: Gods werk.
Het moet groeien. Het moet aan elkaar vast groeien. (Dat is juist het probleem bij een schisis: de ‘buis’ die het menselijk lichaam in wezen is, groeit niet rond, sluit zich niet, in ergens de tiende week in de baarmoeder). Een workshop of een operatie zijn vaak alleen maar een hoopvol begin. Het groeien begint daarná. Ook in onze relaties. Wij moeten – tégen de schisis, het schisma, de scheiding in – naar elkaar toe groeien. We moeten ‘als tegenover elkaar’ zijn (Genesis 1:18, HSV), elkaar in de ogen kijken.
Terug naar het ziekenhuis. De operatie was ingewikkeld, maar lijkt goed gelukt te zijn. Nu moet het groeien. We leggen ons vertrouwen in de helende handen van de Koning. (Dat beeld komt uit weer een ander boek).
